Biotoop: Vooral bosranden, houtwallen, ruigten, (moes)tuinen, parken en bloemrijke graslanden.

Voorkomen: In Europa tot 66° noorderbreedte in Fennoscandinavië, komt voor op de meeste mediterrane eilanden. Wordt in België beschouwd als algemene soort. In Nederland een zeer algemene standvlinder.

Vliegtijd: Twee generaties, eind april – half juni en begin juli – september, soms een derde generatie in september

Kenmerken: Spanwijdte 50 – 65 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn Kool (Brassica oleracea), Koolzaad (Brassica napus), Knopherik (Raphanus raphanistrum), enz. Het vrouwtje legt haar gele eitjes in het voorjaar in kleine groepje, maar ook soms één voor één op de onderkant van de bladeren van de waardplant. De rupsen zitten vrij op de bladeren. De verpopping vindt veelal plaats op afstand van de waardplant, zoals tegen muren of onder dakpannen. De vlinders voeden zich met nectar uit bloemen, waaronder Vlinderstruik (Buddleja davidii), Lavendel (Lavandula), Distels (Carduus) en Klaver (Trifolium).