Biotoop: De Appelvink prefereert een bosrijke omgeving. De voorkeur gaat uit naar gemengde bossen, parken en tuinwijken, maar ook naar zuiver opgaand loofhout. Pure naaldhoutcomplexen daarentegen zijn niet zo in trek. De densiteit van van een lokale broedvogelpopulatie kan o.a. bepaald worden door de aanwezigheid van verspreide broedkolonies. Ook buiten het broedseizoen is de soort sterk aan houtgewassen gebonden. Lokale influxen zijn bekend. Als gevolg hiervan kunnen in niet – traditionele broedgebieden accidentele broedgevallen voorkomen.

Voorkomen: In Europa wijdverspreide maar verborgen levende standvogel. Zomergast in het oosten, ontbreekt in grote delen van Fenno – Scandinavië. In België en Nederland een vrij talrijke broedvogel – jaarvogel – gedeeltelijk wegtrekkend – doortrekker en wintergast in vrij klein tot vrij groot aantal.

Broedtijd: April – juli, nest in bomen, 4 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 18 cm, spanwijdte 29 – 33 cm, gewicht 46 – 72 gram, leeftijd 12 jaar.

Voedsel: Zaden, vruchten en knoppen.