Biotoop: Zonnige, grazige plekken langs en in bossen, meestal met loofbomen en struiken(braamstruiken). De meeste leefgebieden zijn vochtig en vaak begroeid met veel varens(adelaarsvaren).

Voorkomen: Wijdverbreid en algemeen in grote delen van Europa. Ontbreekt in  Ierland en op mediterrane eilanden, uitgezonderd op Sicilië en Corfu. Algemeen in België en Nederland.

Vliegtijd: Eén generatie. Juni/augustus.

Kenmerken: Spanwijdte 25 – 32 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn van de Grassenfamilie Poaceae zoals kropaar (Dactylis glomerata), Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), enz. Het vrouwtje legt de half kogelronde, witte eieren één voor één op de bovenkant van de grasbladeren. De rupsen maken een behuizing van aan elkaar gesponnen grassprieten. In de herfst bereiken de rupsen het derde of vierde stadium en overwinteren dan in deze behuizing. De verpopping vindt plaats in het voorjaar in een spinsel op de grond tussen de grassprieten. De vlinders zuigen nectar uit bloemen zoals Distels (Carduus), braam (Rubus) enz.