Biotoop: In de zomer op rotstoendra’s en rotswanden met steenslag, op trek en in de winter op woeste grond. Vaak op baggerterreinen en op stranden. Meestal in grote troepen.

Voorkomen: Zomergast in bergen van Fennoscandinavië en IJsland. Overwintert langs kusten van de Noord – en Oostzee. In België en Nederland doortrekker en wintergast in klein tot vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – juni, het nest ligt in een rotsspleet, een gat in de grond of in de muur, 5 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 15,5 – 18 cm, spanwijdte 32 – 38 cm, gewicht 30 – 45 gram, leeftijd 9 jaar.

Voedsel: In de zomer hoofdzakelijk insecten, in de herfst en winter zaden met voorkeur voor berkenzaden. Pas wanneer in het noorden de winter aanbreekt, vertrekken de sneeuwgorzen naar Midden – Europa. Ze worden soms ook op voedertafel waargenomen. Vanaf Februari trekken ze langzaam terug, de mannetjes ver vóór het smelten van de sneeuw, tegen de tijd dat de wijfjes arriveren  hebben ze de broedgebieden al onder elkaar verdeeld. Zo kan het paartje de korte poolzomer ten volle benutten voor het grootbrengen van de Jongen.