Biotoop: Woest landschap, zoals Steppen en half woestijnen met rotswanden, in bergachtige streken dat rijk is aan kadavers.

Voorkomen: Grotendeels beperkt tot bergen van Zuid – Europa, maar komt ook voor in nabijgelegen laagland.

Broedtijd: Januari – september, horst doorgaans in kieren van steile rotswanden, 1 ei per jaar.

Kenmerken: Lengte 102 cm, spanwijdte 248 cm, gewicht 6 – 11 kg, leeftijd 20 jaar.

Voedsel: Meestal aas dat in ontbinding verkeert, maar soms ook vers aas. De gehele dag hangen ze op grote hoogte rond te cirkelen, zien ze iets van hun gading, dan laten ze zich naar beneden suizen. Als er één afdaalt, volgen de anderen. Bij het aas is de Vale Gier uitzonderlijk schuw. Is de maaltijd echter begonnen, dan breken er woeste vechtpartijen uit, die altijd door de hongerigste wordt gewonnen. Op deze manier raken de gieren stuk voor stuk verzadigd. Ze proppen zich zo vol met voedsel, dat ze nauwelijks op kunnen vliegen. Vale Gieren scheuren allereerst de lichaamsholte van het kadaver open en verzwelgen dan de ingewanden. Vervolgens hollen ze het lichaam van binnenuit verder uit, tot dat tenslotte alleen nog maar de huid, de pezen en de beenderen zijn overgebleven.