Biotoop: Kluten zijn aan zeewater gebonden, zij broeden in zilte lagunes, delta moerassen, estuaria, moddervlaktes, zandplaten, enz.

Voorkomen: In Europa hoofdzakelijk zomergast, in België en Nederland vrij schaarse tot vrij talrijke broedvogel – jaarvogel – wegtrekken – doortrekker en wintergast in vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – juli, grondnest – het nest is gewoonlijk een bescheiden gevoerde kom in een kwelder, weiland of in de strandvegetatie. Beide ouders broeden, 4 eieren.

Kenmerken: Lengte 42 – 46 cm, spanwijdte 77 – 80 cm, gewicht 260 – 290 gram, leeftijd 24 jaar.

Voedsel: De opwaarts gebogen, van opzij geziene smalle maar van boven brede snavel wijst er op dat de Kluut een voedselspecialist is. Wat hij nodig heeft is een brakke modderbodem, waarin bepaalde kleine kreeftachtigen massaal tot ontwikkeling komen. Daarnaast gaat hij echter ook in modderige poldersloten op voedseljacht. hij stapt dan schoksgewijs door de modder, waar deze door een zeer klein laagje water is afgedekt. Bij elke stap trekt hij met een maaibeweging zijn snavel door de bovenste dunne vloeibare modderlaag en zeeft zo kleine voedseldiertjes uit.