Biotoop: In de zomer bosranden, heivelden, boomgaarden enz. In de winter meer open terreinen met verspreide bomen en struiken.

Voorkomen: Standvogel in gematigd Europa. Noordelijke klapeksters in Europa trekken weg. Schaarse broedvogel in België en voormalige broedvogel in Nederland – doortrekker en wintergast in zeer klein aantal.

Broedtijd: April – juni. Nest in boom of struik. Het is een solid bouwsel van mos en halmen, dat aan de buitenkant met twijgjes en aan de binnenkant met wortels en blaadjes is bekleed. Het wordt door het wijfje vervaardigd, gewoonlijk op een hoogte van  3 – 10 meters en soms jaren achtereen in de zelfde struik of boom. Beide ouders verdedigen het nest maar het wijfje broedt het meest. 5 – 7 eieren.

Kenmerken: Lengte 21 – 26 cm, spanwijdte 30 – 34 cm, gewicht 58 – 75 gram, leeftijd 6 jaar.

Voedsel: De Klapekster jaagt vanaf een opvallende uitkijkpost, bosje, telegraafdraad, struik enz. Meest insecten, maar ook kleine vogeltjes en zoogdiertjes, hagedissen enz.