Biotoop: Bomen met al dan niet een ondergroei van struiken, zoals, hakhoutbossen, jonge aanplantingen, kreupelhout, dennen – en elzenbossen met ondergroei, elzen – en beukenbossen, populierenbossen met ondergroei van elzen, vlier – en meidoornstruiken, fruitbomen op voormalige kalkgraslanden, pioniersvegetatie van berken en wilgen op kapplaatsen, parken, tuinen en bosjes. Aaneengesloten fijnspar of douglassparbestanden en dichte of door herten overbegraasde beukenbossen zijn weinig geschikt. De soort bouwt zijn nest dikwijls in naaldbomen.

Voorkomen: In groepen levende wijdverspreide standvogel. In België en Nederland vrij talrijke tot zeer talrijke broedvogel – jaarvogel – wintergast in vrij groot tot groot aantal.

broedtijd: April – juni, een rond nest in bomen met zij – ingang, 8 – 12 eieren.

Kenmerken: Lengte 13 – 15 cm, spanwijdte 20 cm, gewicht 6 – 10 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Insecten, spinnen, vetvoer.