Biotoop: Hoofdzakelijk in bergland, nergens talrijk en in Europa op de rand van uitsterven.

Voorkomen: Gehele jaar in zuid – Europa.

Broedtijd: Broedt niet elk jaar, begint in maart en duurt circa 55 dagen, Broedt in een boom en elk broedseizoen wordt de horst hoger gemaakt, deze kan een doorsnede van 2m, bij een hoogte van 1m bereiken, het legsel bestaat uit één enkel wit ei, met soms rode vlekjes.

Kenmerken: Lengte 105 cm, spanwijdte 270 cm, gewicht 6500 – 1400 gram,  In gevangenschap kan een monniksgier 39 jaar oud worden.

Voedsel: Anders dan de Aasgier is de Monniksgier op spiervlees gespecialiseerd. Hij scheurt zelfs de huid in stukken en verorbert deze. De haren braakt hij weer als een bal uit. Wanneer hij bij het op grote hoogte rondcirkelen een gestorven dier ontdekt, stort hij met gesloten vleugels en omlaag hangende poten ruisend naar beneden. In de horst treft men geregeld resten van konijnen, grondeekhoorns, schildpadden en hagedissen aan.