Biotoop: Vooral bosranden en open bossen; ook tuinen en parken in een bosrijke omgeving.

Voorkomen: Algemeen en wijdverbreid. In midden Europa komt de ordersoort Pararge aegeria tircis voor en in Zuid – Europa vliegt de ondersoort Pararge aegeria aegeria, die inplaats van een licht gele tekening een krachtige oranje vlekkentekening heeft. De noordgrens van het verspreidingsgebied van de ondersoort ligt in het zuiden van Zwitserland waar regelmatig overgangsvormen voorkomt. In België en Nederland is het Bont Zandoogje een algemene en steeds vaker voorkomende vlinder.

Vliegtijd: Drie overlappende generaties. Eind maart-eind oktober (november).

Kenmerken: Spanwijdte 32 – 42 mm.

Levensloop: Waardplanten zijn Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Pijpenstrootje (Molinia caerulea), Duinriet (Calamagrostis epigejos), Boszegge (Carex sylvatica). Het vrouwtje zet de eitjes één voor één af op een grasblad. De jonge rupsen zijn overdag actief, de volgroeide rupsen ’s nachts. De verpopping vindt meestal dicht bij de bodem plaats, de groene of bruine poppen overwinteren maar soms overwintert de rups. De vlinders zijn zelden op bloemen te vinden. Ze maken gebruik van sappen van bloedende bomen of drinken op vochtige bospaden en valfruit.