Biotoop: Broedt op Toendra – meren, poelen in bossen en in open moerassen. In de winter op meren, moerassen en rivieren.

Voorkomen: Wintertalingen zijn trekvogels en bij ons algemene doortrekkers en wintergasten. Vele overwinteren ook in het Middellandse – Zeegebied. Tijdens de trek sluiten ze zich tot grote zwermen aaneen. In België en Nederland is het een vrij schaarse broedvogel.

Broedtijd: Mei – juli, grondnest – de Eend kiest de nestplaats uit,  deze ligt altijd goed verstopt onder dichte vegetatie, soms ver van het water verwijderd, het nest is een in meerdere of mindere maten met halmen gevoerd kuiltje en wordt in de loop van de broedtijd met dons opgevuld, 7 – 11 eieren.

Kenmerken: Lengte 37 – 41 cm, spanwijdte 60 – 67 cm, gewicht 350 – 450 gram, leeftijd ouder dan 13 jaar.

Voedsel: Wintertalingen zijn alleseters, die zich afhankelijk van het aanbod merendeels met dierlijk, dan wel met plantaardig voedsel voeden. In het voorjaar eten ze veel muggenlarven, kokerwormen, vlokreeftjes en wormen, terwijl in de herfst graszaden en scheuten van moeras en waterplanten het hoofdvoedsel vormen. Ze zoeken hun voedsel in de ondiepste watergedeelten of in aan de oppervlakte drijvende plantengroepen, waarbij ze hun kop onderwater steken(grondelen). Ze grondelen ook met de staart omhoog, waarbij ze door hun geringe afmetingen niet dieper dan handbreedte komen. Ook lopen ze slobberend in de modder op de oever rond.