Biotoop: Het over het algemeen beschreven broedbiotoop bestaat uit dichte, uitgestrekte en dikwijls vochtige rietvelden, terwijl het jachtgebied tevens moerassen, moerassige vijvers, kreken, vochtige weiden, heiden, schorren en landbouwgebieden omvat.

Voorkomen: Wijdverspreide standvogel en wintergast in West – Europa, zomergast in het Oosten. In BelgiĆ« en Nederland jaarvogel – wegtrekkend – doortrekker in klein aantal – wintergast in uiterst klein tot zeer klein aantal.

Broedtijd: April – juli. Het nest wordt op de grond tussen het dichte riet gebouwd. Het is aangepast aan een mogelijk schommelende waterstand en bestaat uit een vrij omvangrijke , slordige riethoop, net als dat van de andere Kiekendieven maar dan groter. 4 tot 5 eieren.

Kenmerken: Lengte 43 – 55 cm, spanwijdte 115 – 140 cm, gewicht 450 – 800 gram, leeftijd 16 jaar.

Voedsel: Kikkers, kleine zoogdieren, watervogels en insecten. De jachtvlucht van de Bruine Kiekendief eindigt lang na zonsondergang. Nu en dan ziet hij de kans in ondiep water vissen te verschalken.