Biotoop: Laaggelegen weilanden, ondergelopen graslanden, op kwelders en in waterbekkens.

Voorkomen: De Kleine Zwaan  broedt ten noorden van de boomgrens rond de pool. In Scandinavië beperkt hij zich echter tot het Russische oosten en de soort ontbreekt ook op IJsland en Groenland. Is een wintergast uit Siberië in traditionele overwinteringsgebieden rond de Noordzee. In België en Nederland doortrekker en wintergast in vrij klein tot groot aantal.

Broedtijd: Eind mei – juli, grondnest in de toendra – het nest bestaat uit een grote hoop plantenmateriaal op een verhevenheid bij water en bij voorkeur op een klein eilandje, gemiddeld 3 tot 4 eieren.

Kenmerken: Lengte 115 – 127 cm, spanwijdte 170 – 193 cm, gewicht 4000 – 7500 gram, leeftijd 25 jaar.

Voedsel: Kleine Zwanen verkrijgen hun voedsel hoofdzakelijk door in water te grondelen. Ze eten zowel stengels als wortels van waterplanten. In hun schraal woongebied hebben ze een groot territorium nodig, waarin ze geen andere zwanen dulden. Ze zijn dag en nacht actief. Tijdens de trek foerageren ze graag op ondergelopen weilanden, waar ze grazen. Daarnaast nemen ze zoals eenden slobberend aan het wateroppervlak voedsel op. Kleine Zwanen trappen ook dikwijls in de modder, waardoor voedsel deeltjes uit de grond loskomen. In dieper water grondelen ze op hun kop staand. Ze zijn niet zo streng vegetarisch als de andere zwanen en kunnen ze een groot aantal dunschalige schelpdieren verorberen.