Biotoop: In de nabijheid van steile leem – en zandwanden. De Oeverzwaluw is afhankelijker van water dan overige zwaluwen – grindgaten en rivieren.

Voorkomen: Zomergast in geheel Europa, hoewel lokaal voorkomend door gebrek aan geschikte nestlocaties. In België en Nederland vrij talrijke broedvogel – wegtrekkend – doortrekker in vrij klein aantal.

Broedtijd: Mei – augustus, zelf gegraven nestholten in de grond – met de snavel en poten wordt een gang gegraven van ongeveer een armdiepte, in meestal recent ontstane steile wand, aan het einde van de gang wordt deze verbreed tot een broedkamer, die de zwaluwen met veren bekleden, 4 tot 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 12 – 13 cm, spanwijdte 27  – 29 cm, gewicht 12 – 16 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: In de vlucht gevangen insecten. Vooral ’s avonds, tot ver na zonsondergang, jagen de zwaluwen onvermoeibaar boven watervlakten. Soms liggen deze op grote afstand van de broedwand.