Biotoop: Het leefmilieu van de Gierzwaluw is het luchtruim. Insecten worden buitgemaakt in de vlucht en dit dikwijls in een omgeving van meerdere tientallen kilometers. Het enige vaste punt voor deze soort is de nestholte. Meestal wordt er gebroed in kleine kolonies in kerken en grote gebouwen, en dit vooral in de stad waar talloze holten te vinden zijn om er te broeden. Plaatselijk komt de soort ook voor in dorpen waar ze broedt onder daken van huizen die een gepaste beschutting bieden.

Voorkomen: Algemene en wijd verspreide broedvogel in steden en dorpen. In Europa slechts ca. drie maanden aanwezig om te broeden. Lange afstandstrekker, doortrekker in groot aantal, overwintert in zuid – Afrika.

Broedtijd: Mei – juli, nest in holten van gebouwen, nestkasten, rotsen en boomholten, 2 – 3 eieren.

Kenmerken: Lengte 17 – 18,5 cm, spanwijdte 42 – 46 cm, gewicht 31 – 56 gram, leeftijd 21 jaar.

Voedsel: Kleine vliegende insecten.