Biotoop: De Kramsvogel zoekt het open landschap op met een vrij korte begroeiing, pas gemaaide weiden, grasvelden van parken, tuinen en met bomen in de nabijheid. Hij dringt niet binnen in de bosmassieven, broedt weinig in bosranden en installeert zich eerder in kleine bosjes, bomenrijen, boomgaarden, hoge hagen of zelfs in geïsoleerde bomen of struiken te midden van landelijke omgeving. In feite schijnt er geen voorkeur te bestaan voor een of andere boomsoort als nestplaats maar wordt deze laatste eerder ingenomen in functie van haar nabijheid tot foerageerplaatsen. Zelf in loodsen en elektriciteitspylonen werden nesten gevonden. De soort broedt tevens in dorpen en in groene ruimten van sommige steden, maar haar expansie is beperkt in grote landbouwgebieden. In heiden en venen komt de Kramsvogel weinig als broedvogel voor.

Voorkomen: Standvogel of zomergast in Noord – Midden en Oost – Europa, elders wijdverspreide wintergast. In België en Nederland uiterst schaarse broedvogel – wegtrekkend – doortrekker en wintergast in groot tot zeer groot aantal.

Broedtijd: April -juli, nest in bomen en struiken, 5 – 6 eieren.

Kenmerken: Lengte 24 – 26 cm, spanwijdte 39 – 42 cm, gewicht 80 – 128 gram, leeftijd: 18 jaar.

Voedsel: Regenwormen, insecten, bessen en fruit.