Biotoop: De fitis is een typische soort van de pioniersstadia van houtige vegetaties. Hij bezet verschillende biotopen met struiken of jonge boompjes(over het algemeen loofhout), zowel op droge als op vochtige bodems. Een kruiden- of halfheester – etage is steeds tenminste gedeeltelijk aanwezig. Men vindt de soort dan ook op open terreinen na kaalkappingen, in heiden, venen, op kalkgraslanden of terrils met opschietend houtgewas(vooral wilgen, berken, lijsterbes, elzen en dennen). In struiken langsheen spoorwegen en wegen, in jonge elzenbosjes, en in weiden en moerassen met opslag van wilgen, elzen en berken. Verder broedt ze ook  in duindoornstruwelen aan de kust, in hakhout onder lichte hoogstammige bestanden. Opmerkelijke hoge dichtheden komen voor in hakhout van wilgen, berken, duindoorn en elzen, alsook op bepaalde heiden en venen die naar bos evolueren. Naalhoutbestanden, vooral van sparren worden gemeden. In bewoonde gebieden, waar al te veel parken voor hem ongunstig zijn, is de Fitis daarentegen zeldzaam(geschikte struiklaag te beperkt, te hoge bomen, grasvelden, overpopulatie van door de mens ingevoerde predatoren.

Voorkomen: Algemene, wijdverspreide zomergast in Europa. Wegtrekkend – doortrekker in groot aantal.

Broedtijd: April – juli, nest op de grond, 4 – 8 eieren.

Kenmerken: Lengte 10,5 – 12,5 cm, spanwijdte 16,5 – 22 cm, gewicht 6,5 – 12 gram, leeftijd 10 jaar.

Voedsel: Kleine insecten.