Biotoop: Divers. Grazige, rotsachtige hellinen en geulen. Bloemrijke graslanden. Open plekken in bos met kale, stenige grond, paden…

Voorkomen: In Europa van het zuiden van Scandinavië tot het zuiden van Spanje. Verspreid voorkomend en vrijwel nergens zeldzaam. In België en Nederland vrij algemeen.

Vliegtijd: Twee of drie generaties. begin april – oktober, afhankelijk van plaats en hoogte.

Kenmerken: Spanwijdte 37 – 50 mm.

Levensloop: De waardplanten zijn de grassenfamilie Poaceae, zoals Genaald Schapengras, Gevinde kortsteel, Bergdravik en Kropaar. Het vrouwtje kleeft de eitjes één voor één aan de meestal al verdord grasblad. De jonge rupsen zijn overwegend actief overdag, de volgroeide rupsen ’s nachts. De verpopping vindt meestal plaats vlak bij de grond op een steen of een grasstengel. De overwintering gebeurd als halfvolgroeide rups. Volwassen vlinders voeden zich met nectar uit diverse bloemen, bij voorkeur voor rode en violette bloemen,  ze hebben deze nectar nodig als energiebron en voor de vrouwtjes om eitjes te kunnen aanmaken.