Biotoop: Divers habitats. Droge of vochtige plekken met struiken. Meestal bij open plekken in het bos of langs de bosranden. Ook in heiden, parken en tuinen.

Voorkomen: Wijdverbreid en en algemeen in grote delen van Europa, sporadisch in Ierland en Noord – Scandinavië. Ontbreekt meestal in Schotland. Wijdverbreid op mediterrane eilanden.

Vliegtijd: Twee generaties. In Europa Begin April/juni en juli tot midden september.

Kenmerken: Spanwijdte 25 tot 35 mm.

Levensloop: De waardplanten zijn diverse struiken, zoals klimop, vlinderstruik, struikhei, sporkehout, kornoelje, grote kattenstaart, wegedoorn en kardinaalsmuts. De eitjes worden afzonderlijk afgezet hoog in de waardeplant, aan de basis van bloemknoppen of rijpende zaden. De rupsen eten vooral deze delen en minder vaak de jonge vlezige bladeren. Overwintert als pop. Volwassen vlinders voeden zich met nectar uit diverse bloemen, ze hebben deze nectar nodig als energiebron en voor de vrouwtjes om eitjes te kunnen aanmaken.