Biotoop: Warme, schrale, droge graslanden en ruigten; in Nederland vrijwel uitsluitend kalkgraslanden.

Voorkomen: In Midden – Europa vrijwel overal algemeen, In België bevinden zich wel populaties en in Nederland de laatste jaren enkel als zwerver waargenomen.

Vliegtijd: Eén generatie. Half juni-eind augustus.

Kenmerken: Spanwijdte 37 – 52 mm.

Levensloop: Waardplanten  zijn van de Grassenfamilie Poaceae zoals Gevinde kortsteel (Brachypodium pinnatum), Bergdravik (Bromus erectus) en Veldbeemdgras (Poa pratensis). Het vrouwtje laat de eieren gewoon los op de grond vallen. De rupsen komen laat in de zomer te voorschijn en zoeken zonder te voeden de overwinteringsplaatsen op. Pas na de overwintering beginnen de rupsen te eten. De verpopping vindt plaats in een los spinsel waarin de witte of geelachtige pop vrij op de bodem ligt. Volwassen vlinders voeden zich met nectar uit diverse bloeiende planten, vooral kruiden met paarse en roze bloemhoofdjes, zoals knoopkruid en beemdkroon. Ze hebben deze nectar nodig als energiebron en voor de vrouwtjes om eitjes te kunnen aanmaken.